Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Persoonlijke hulpmiddelen

Navigatie

Groeihormoontekort: wekelijks somapacitan

PW24 - 15-06-2018
Wekelijkse subcutane toediening van het groeihormoonsubstituut somapacitan voldoet net zo goed als dagelijks somatropine. Er worden stabiele spiegels bereikt van insulineachtige groeifactor-1 (IGF-1), de bijwerkingen zijn draaglijk en het gemak wordt gewaardeerd.
Groeihormoontekort: wekelijks somapacitan

Somapacitan is een groeihormoon-derivaat dat bindt aan albumine, waardoor de klaring laag is. Met een Cmax vier dagen na toediening is wekelijkse dosering realistisch.

In 26 instituten in zes landen werd een gecontroleerd vergelijkend onderzoek uitgevoerd bij 92 patiënten van 18-79 jaar met groeihormoon-deficiëntie (GHD), die eerder gedurende minstens zes maanden waren behandeld met eenmaal daags groeihormoon. Aan 61 van hen werd eenmaal per week 1,0-1,5 mg subcutaan somapacitan toegediend (vrouwen die orale oestrogenen gebruikten kregen 2,0 mg), 31 kregen dagelijks subcutaan 0,1-0,2 (0,3) mg somatropine (Norditropin FlexPro). Beide behandelingen werden in acht weken getitreerd totdat de spiegels van IGF-1 stabiel waren. Doseringen waren gemaximeerd op 8 mg/week somapacitan en 1,1 mg/dag somatropine. De totale behandelperiode bedroeg 26 weken.

De therapeutische dosis was gemiddeld 1,96 (SD 1,45) mg/week voor somapacitan en 0,20 (SD 0,14) mg/dag

bij somatropine. In beide groepen was de therapietrouw meer dan 90%.

De waardering van de therapie (gemeten met de TSQM-9-schaal op de punten werkzaamheid, gemak en tevredenheid) nam tijdens de therapie toe: bij somapacitan van 68,3 naar 83,8 en bij somatropine van 71,7 naar 75,8. Qua gemak scoorde somapacitan significant hoger dan somatropine.

In zowel de controle- als de interventiegroep waren drie uitvallers. In beide groepen trok een patiënt zich terug wegens bijwerkingen. In totaal deden zich in de interventiegroep 159 bijwerkingen voor en in de controlegroep 81. Daarvan waren vier respectievelijk drie ernstig, maar in geen van deze gevallen was een relatie met de medicatie waarschijnlijk en in alle gevallen herstelde de patiënt. Klinisch significante injectie-plaatsreacties werden niet gemeld. [Johansson et al. Eur J Endocrinol. 2018;178(5):491-499.]

Document acties

gearchiveerd onder: ,
Back to top