Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Persoonlijke hulpmiddelen

Navigatie

Antistollingsbeleid

Wie bepaalt het antistollingsbeleid, de cardioloog of de neuroloog?

PW37 - 13-09-2019 | door Nancy Valentin-Ong, apotheker
Een 36-jarige man wordt op donderdag de spoedeisende hulp binnengebracht met uitval van spraak- en rechterarmfunctie. De MRI wijst uit dat sprake is geweest van een herseninfarct. Een heftige diagnose voor een sportieve, fitte man, die drie maanden geleden voor het eerst vader is geworden.
Antistollingsbeleid

Er blijkt sprake te zijn van PFO, patent foramen ovale, een gaatje tussen de boezems van het hart. Stolsels die normaliter weg gefilterd worden in de longen, kunnen door deze aangeboren hartaandoening direct naar de hersenen doorschieten.

Op vrijdag aan het einde van de middag (hoe kan het ook anders) wordt meneer ontslagen. Er zijn gelukkig geen restverschijnselen. De medicatie is als volgt: acetylsalicylzuur voor één maand, clopidogrel voorlopig en pantoprazol. De vrouw van de patiënt, toevallig apotheker, kijkt vragend naar de coassistent en de neuroloog in opleiding.

Wie bepaalt eigenlijk het antistollingsbeleid, de cardioloog of de neuroloog? Waarom worden er trombocytenaggregatieremmers gegeven terwijl het fibrinogene stolsels zijn? En de pantoprazol, die is toch eigenlijk niet nodig gezien de leeftijd en alle andere afwezige risicofactoren?

De neuroloog in opleiding kijkt in eerste instantie een beetje ongemakkelijk – “dit heeft de cardioloog voorgeschreven” – maar weet uiteindelijk een redelijk antwoord te improviseren. Ik besluit het erbij te laten … Maar ik lig vervolgens thuis nog wel een paar nachten wakker van het incident en het gekozen antistollingsbeleid. En van mijn baby.

Document acties

gearchiveerd onder:
Back to top