Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Persoonlijke hulpmiddelen

Navigatie

Herexamen 2016 PW 43

PW43 - 26-10-2016 | door C.A.T.C. Lunenburg en J.J. Swen

Een oncoloog heeft in het Farmacotherapeutisch Kompas gelezen dat hij bij een DPD-deficiëntie de dosering van capecitabine in overleg met de apotheker moet aanpassen. De patiënt heeft een coloncarcinoom en is heterozygoot drager van een DPYD*2A-variant. De oncoloog overweegt te starten met tweemaal daags 1000 mg/m2 capecitabine voor acht kuren. Wat is uw advies?

  1. a. Vervang de geplande therapie door een niet-fluoropyrimidine.
  2. b. Halveer de geplande dosering.
  3. c. Geef 75% van de geplande dosering.
  4. d. Hanteer de normale dosering, maar houd de patiënt goed in de gaten.

Toelichting

Het juiste antwoord is: b. Halveer de geplande dosering.

Het gen DPYD codeert voor het enzym dihydropyrimidinedehydrogenase (DPD). Dehydrogenering is de initiële en snelheidsbepalende stap in de omzetting van fluoropyrimidines (>80%) naar inactieve metabolieten. Bij DPD-deficiëntie is deze omzetting sterk verlaagd of afwezig, wat leidt tot meer actieve metabolieten en meer celtoxiciteit. DPYD*2A geeft een volledig inactief enzym. Heterozygote patiënten met een DPYD*2A-variant hebben één actief en één volledig inactief allel. Een dosisreductie van 50% leidt dan tot minder toxiciteit bij gelijke effectiviteit.

De volgende tekst is opgenomen in het Farmacotherapeutisch Kompas: “Pas bij DPD-deficiëntie de dosering of het middel aan in overleg met de apotheker” (zie https://www.farmacotherapeutisch-kompas.nl/bladeren-volgens-boek/preparaatteksten/c/capecitabine). Een dergelijke vraag kan dus in toenemende mate worden gesteld.

Document acties

gearchiveerd onder: , ,
Back to top