Behandelaren kunnen een SGLT-2-remmer of GLP-1-agonist inzetten als monotherapie of toevoegen aan metformine of een ander diabetesmiddel, waaronder insuline, bij volwassen patiënten met diabetes type 2 indien sprake is van een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten. Het gaat dan om patiënten met een hart- en vaatziekte of chronische nierschade.
Geadviseerd wordt SGLT-2-remmers alleen te starten bij een eGFR boven 20 ml/min/1,73 m2. Indien de eGFR daalt tot onder 20 ml/min/1,73 m2 tijdens gebruik van de SGLT-2-remmer wordt geadviseerd om deze te continueren en pas te staken bij de start van dialyse.
De richtlijn raadt het gebruik van SGLT-2-remmers af bij recidiverende genitale (mycotische) infecties en ook bij een verhoogd risico op ketoacidose, zoals bij alcoholisme, ondervoeding, intermitterend vasten of een dieet met minder dan 70 gram koolhydraten per dag. Als een voetulcus ontstaat, moet de behandeling worden gestaakt.
Bijwerkingen
Daarnaast zouden behandelaars patiënten moeten inlichten over het mogelijk optreden van genitale bijwerkingen. Zij moeten ook de risicofactoren en symptomen van ketoacidose bespreken en de patiënt informeren over de noodzaak om inname van de SGLT-2-remmer (tijdelijk) te staken bij elke situatie waarin de voedselinname fors is verminderd, bij koorts, misselijkheid, braken, extreme dorst, diarree en bij een chirurgische ingreep.
Gebruik van GLP-1-agonisten wordt niet aanbevolen bij eindstadium nierfalen (eGFR <10 ml/min/1,73 m2 of start van nierfunctievervangende therapie) of ernstige leverinsufficiëntie. (DT)