De toepassing van intradermale corticosteroïden bij de behandeling van extravasaties is beperkt. Een studie brengt subcutane corticosteroïdinjecties na extravasatie van blaartrekkende chemotherapiemiddelen in verband met een hogere incidentie van operaties vanwege huiddefecten. Ook topicale corticosteroïden worden afgeraden.
Bij ernstige extravasaties kan hyaluronidase wel worden toegepast. Hyaluronidase breekt hyaluronzuur in bind- en epitheelweefsel af en verbreekt zo subcutane weefselverbindingen. Daardoor verspreidt het geëxtravaseerde vloeistof zich over een groter oppervlak en wordt deze verdund.
De richtlijn adviseert hyaluronidase bij graad 4 extravasatie, met symptomen als pijn, ernstige zwelling, bleekheid, blaarvorming en necrose. Bij een graad 3 extravasatie kan het middel worden overwogen. Kenmerkend hiervoor zijn een pijnlijke toedienplaats, matige zwelling en bleekheid van het aangedane gebied.
Extravasaties van sympathicomimetica
Bij extravasaties van bepaalde geneesmiddelen, waaronder sympathicomimetica, is hyaluronidase ongeacht de ernst niet aangewezen.
Bij een extravasatie komt een intraveneus toegediend geneesmiddel onbedoeld buiten het bloedvat terecht. Afhankelijk van het middel kan hierdoor weefselschade ontstaan.
De richtlijn is ontwikkeld op initiatief van de NVZA, in samenwerking met plastisch chirurgen (NVPC), verpleegkundig specialisten (V&VN), kinderartsen (NVK) en patiëntvertegenwoordigers (Patiëntenfederatie Nederland).