Bij de behandeling van myotone dystrofie type 1 en neurologische klachten zoals slaperigheid zouden patiënten volgens de richtlijn in principe niet met psychostimulantia moeten starten. Eerst moeten zij educatie aangeboden krijgen door een ergotherapeut of revalidatiearts. Daarnaast moeten andere oorzaken van slaperigheid worden uitgesloten, zoals longfunctieproblematiek of slaapapneu.
Slechts een selecte groep patiënten komt in aanmerking voor behandeling met psychostimulantia. Dit kan bijvoorbeeld bij behoefte aan sporadisch gebruik of wanneer een patiënt op zoek is naar een aanvullende behandeling van overmatige slaperigheid en een vaste weekindeling onvoldoende effect heeft.
Methylfenidaat of modafinil
Wanneer toch voor psychostimulantia wordt gekozen, kan methylfenidaat worden ingezet. Daarbij moeten de verdraagbaarheid en eventuele bijwerkingen worden gemonitord. Ook modafinil is een optie. Bij gebruik van modafinil adviseert de richtlijn binnen een maand na de start een ECG te maken vanwege het risico op geleidingsstoornissen. Daarnaast moeten bloeddruk, hartslag, verdraagbaarheid en bijwerkingen worden gecontroleerd. Bij een aritmie moet de behandeling worden gestaakt.
Bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd is extra aandacht nodig voor anticonceptie. Modafinil kan de betrouwbaarheid van orale anticonceptiva verminderen.
Psychostimulantia zijn volgens de richtlijn ook te overwegen bij een selecte groep patiënten met andere neurologische klachten, waaronder cognitieve problemen en apathie. Voor een effect op deze klachten is echter geen kwantitatief bewijs beschikbaar.
Myotone dystrofie type 1 (MD1) is een erfelijke spierziekte die meerdere orgaansystemen kan beïnvloeden. De aandoening kan neurologische, cardiale, respiratoire en gastro-intestinale complicaties veroorzaken.