Nieuwsoverzicht

Risico op lithiumintoxicatie bij combinatie met GLP-1-agonist

Algemeen nieuws
28 april 2026

Bij de combinatie van lithium met een GLP-1-agonist kan lithiumintoxicatie optreden. Voorschrijvers van lithium dienen de lithiumspiegel daarom extra te monitoren. Dit adviseert de Werkgroep Interacties & MFB’s van de KNMP.

bloed afname

GLP-1-agonisten verhogen indirect het risico op lithiumintoxicatie, omdat de lithiumspiegel kan stijgen. Het is niet geheel bekend waardoor dit wordt veroorzaakt. Waarschijnlijk spelen verschillende factoren een rol. GLP-1-agonisten leiden vaak tot verminderde inname van voedsel en vocht, misselijkheid en braken. Dit kan volumedepletie en verstoringen in de natriumhuishouding veroorzaken. Ter compensatie kan de proximale terugresorptie van natrium en lithium in de nieren toenemen, waardoor de lithiumspiegel stijgt. Daarnaast kan op langere termijn bij sterke gewichtsafname de klaring van lithium afnemen. 

Bij mensen onder behandeling van lithium die starten met een GLP-1-agonist wordt geadviseerd de lithiumspiegel extra te monitoren. Dit moet ook gebeuren na een dosiswijziging en na staken van de GLP-1-agonist. Patiënten moeten op de mogelijke symptomen van een te hoge lithiumspiegel worden geattendeerd zoals braken, diarree, dronkemansspraak en -gang, spierschokken, spierzwakte, slaperigheid en sufheid. Bij het optreden van deze symptomen dient de patiënt contact op te nemen met de arts en voldoende vocht en zout in te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van bouillon.

Lagere startdosis

Bij gebruikers van een GLP-1-agonist kan een lagere startdosis lithium worden overwogen. De lithiumspiegel dient binnen zeven dagen na starten te worden gemonitord. Patiënten worden geadviseerd niet zomaar te stoppen met de GLP-1-agonist. Bij een dosiswijziging van de GLP-1-agonist of bij staken dient de lithiumspiegel extra te worden gemonitord.

Bij risicopatiënten, zoals ouderen en mensen met hartfalen of een verminderde nierfunctie, en bij een gewijzigde inname van water of natrium, kan de lithiumdosering eventueel worden verlaagd.

Lithium wordt toegepast bij onder meer de behandeling van de manische episoden bij bipolaire stoornis, profylaxe van zowel de manische als de depressieve episoden bij bipolaire stoornis en profylaxe van unipolaire depressieve episoden. 

Interindividuele variatie

Lithium heeft een smalle therapeutische breedte en een grote interindividuele variatie in farmacokinetiek. De gewenste therapeutische lithiumspiegel ligt tussen de 0,6 en 1,2 mmol/l. Toxische symptomen kunnen optreden vanaf 1,5 mmol/l, maar ook bij een therapeutische spiegel. De behandeling moet plaatsvinden onder regelmatige controle van de lithiumspiegel. De dosering wordt ingesteld op basis van de lithiumconcentratie. Na elke dosisverandering of wijziging van lithiumpreparaat en drie maanden na het begin van de behandeling wordt de concentratie bepaald. Ook na starten of stoppen van medicatie met interactie met lithiumcarbonaat wordt de lithiumconcentratie opnieuw bepaald. 

GLP-1-agonisten (glucagonachtig peptide-1-agonisten) worden ook 'glucagon-like'-peptide-1-agonisten of incretinemimetica genoemd. Tot deze groep middelen behoren dulaglutide, exenatide, liraglutide, lixisenatide en semaglutide. Ze worden toegepast bij obesitas, overgewicht en diabetes mellitus type 2.

Clustermanager / Beherend Apotheker

Bekijk vacture 32 tot 40 uur per week / Zierikzee (Schouwen-Duiveland)

Apotheker

Bekijk vacture 40 uur per week / Bonaire