2026
Oxytocine en carbetocine bij bloedverlies na bevalling
Bij vrouwen met een verhoogd risico op haemorrhagia postpartum (HPP) zijn volgens de richtlijn naast oxytocine en carbetocine ook methylergometrine en misoprostol te overwegen. Als er geen sprake is van een verhoogd risico op HPP wordt oxytocine aanbevolen. Oxytocine is een effectief middel voor de preventie van HPP en heeft weinig bijwerkingen vergeleken met andere uterotonica.
Indien sprake is van aanhoudend bloedverlies en oxytocine onvoldoende werkzaam blijkt, kan methylergometrine als volgende stap in de behandeling worden toegepast, gevolgd door sulproston indien nodig.
Uterusatonie
Bijna één op de tien vrouwen krijgt na de bevalling te maken met ernstig bloedverlies. De meest voorkomende oorzaak van HPP, ook bekend als postpartale uterusbloeding, is uterusatonie. De middelen die hierbij worden toegepast versterken of wekken contracties van de uterus op. Oxytocine is een hypofysehormoon en carbetocine is een oxytocineagonist. Misoprostol en sulproston zijn prostaglandines en methylergometrine is een ergotalkaloïd.
De WHO definieert HPP als bloedverlies van 500 ml of meer binnen 24 uur na de bevalling. In Nederland wordt HPP gedefinieerd als bloedverlies van ten minste 1000 ml. Preventieve maatregelen zijn erop gericht om de hoeveelheid bloedverlies na de bevalling zo gering mogelijk te houden.
Vertraagde reactie op injectie nieuw pneumokokkenvaccin
In veel meldingen over het pneumokokkenvaccin Prevanar 20 ontstaat, volgens Lareb, de reactie binnen de verwachte een tot twee dagen. Bij ongeveer een derde van de meldingen treedt de reactie echter pas na minimaal vier dagen op. In de meldingen was ongeveer 80% boven de 65 jaar.
Melders, onder wie artsen, geven aan dat de reactie op de injectie later dan verwacht kan optreden. De reactie wordt vaak omschreven als een scherp begrensde roodheid, soms met zwelling. In sommige gevallen wordt de reactie behandeld met antibioticum, onder verdenking van wondroos of cellulitis.
Vertraagde reacties op de prikplek gaan vanzelf over; behandeling met antibioticum is hierbij niet zinvol, aldus Lareb.
Toxine-vaccins
Het is volgens Lareb nog niet helemaal duidelijk waardoor deze reacties pas na een aantal dagen optreden. Vertraagde reacties zijn eerder gezien bij toxine-vaccins, zoals het difterie-vaccin.
Prevanar 20 is geconjugeerd aan een non-toxische variant van het difterietoxine. In onderzoeken naar Prevanar 13, een ander pneumokokkenvaccin dat ook is geconjungeerd aan dit dragereiwit, traden reacties op de injectieplaats ook later op, tussen de zes en veertien dagen.
Ook dit werd vooral gezien bij mensen boven de 65 jaar, aldus Lareb, dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) heeft geïnformeerd over deze bevindingen.
Forse toename fysiotherapeutische zorg in de eerste lijn
Per fysiotherapiepraktijk is het mediane aantal behandeltrajecten gestegen van 1055 in 2019 naar 1645 in 2024. Vergeleken met 2021 was deze stijging 28%.
Verder blijkt uit het onderzoek van Nivel dat het mediane aantal behandeltrajecten per fysiotherapeut is gestegen van 121 in 2021 naar 144 in 2024. Het mediane aantal consulten steeg van 990 in 2021 naar 1141 in 2024.
De cijfers over de fysiotherapeutische zorg zijn gebaseerd op data uit Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn. Hieruit zijn 137 eerstelijns fysiotherapiepraktijken – verspreid over Nederland –geselecteerd die in de jaren 2019 tot en met 2024 jaarlijks minimaal tien maanden data leverden. Op behandelaarsniveau ontbrak data in 2019 en in verband met COVID-19 in 2020, daarom rapporteert Nivel die cijfers vanaf 2021.
Tirzepatide niet minder effectief dan dulaglutide om overlijden te voorkomen
Aan de dubbelblinde studie namen meer dan 13.000 patiënten deel met diabetes mellitus type 2 en atherosclerotische hart- en vaatziekten. De ene helft kreeg wekelijkse een subcutane injectie met tirzepatide (tot 15 mg). De anderen kregen één keer per week dulaglutide (1,5 mg).
De onderzoekers bestudeerden het effect van beide middelen op het overlijden door cardiovasculaire oorzaken, een myocardinfarct of een beroerte. Hun conclusie was dat tirzepatide niet minder effectief is dan dulaglutide. Bij beide groepen leken bijwerkingen even vaak voor te komen, al werden maagdarmklachten wel vaker gerapporteerd in de tirzepatidegroep.
De gecombineerde glucoseafhankelijke insulinotropische polypeptide (GIP) en glucagonachtige peptide-1 (GLP-1)-receptoragonist tirzepatide is geregistreerd voor de behandeling van diabetes mellitus type 2, obesitas en overgewicht. Dulaglutide is een GLP-1-agonist, die kan worden ingezet bij de behandeling van diabetes mellitus type 2.
‘80-plussers profiteren minder van nieuwe kankerbehandelingen’
Van het totaal aantal tumoren tussen 1990 en 2019 was 16% bij 80-plussers. Bij bijna alle kankersoorten groeit het aandeel van deze patiëntengroep, inmiddels is zelfs één op de vier patiënten bij diagnose ouder dan 80, concludeert promovendus Melinda Schuurman op basis van data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR).
Verder blijkt uit het onderzoek dat de toename van het aandeel 80-plussers bij diagnoses het sterkst is bij longkanker, melanoom en asbestkanker. Dat heeft te maken met de blootstelling aan risico’s eerder in het leven – roken, zon, asbest –; de groep met de grootste blootstelling wordt de komende decennia 80+.
Bij mannen ouder dan 80 komen huidkanker, prostaatkanker, longkanker, blaaskanker en darmkanker het meeste voor. Vrouwen krijgen met name huidkanker, borst- en darmkanker.
Systemische therapie
Het gebruik van systemische therapie nam overall toe van 12% naar 34%. Voor 80-84-jarigen ging dit van 3% naar 15%, en voor 85-89-jarigen van 2% naar 7%. Deze therapie wordt vaak gegeven om op langere termijn uitzaaiingen te voorkomen. Dat is voor deze leeftijdsgroepen minder relevant, aldus de onderzoeker. Bijna de helft van de patiënten die ouder zijn dan 90 jaar, krijgt geen tumorgerichte behandeling. Bij jongere patiënten is dit 13%.
Verder blijkt uit het onderzoek dat de 5-jaarsoverleving is verbeterd voor alle leeftijdsgroepen tussen 1990 en 2019: voor de patiënten jonger dan 80 jaar met 19% (63% in 2019), voor 80-plussers met 7% (26% in 2019).
Kwaliteit van leven
Oudere patiënten krijgen aanzienlijk minder vaak nieuwe systemische therapieën, zoals doelgerichte therapie en immunotherapie. Het is logisch dat deze patiënten andere afwegingen maken voor behandelingen, stelt de onderzoeker, die benadrukt dat het daarom belangrijk is de juiste balans te vinden tussen kwaliteit van leven en levensverlenging. Hierbij is een goede afstemming van belang, bijvoorbeeld door proactieve zorgplanning.
Het aantal patiënten met kanker van 80 jaar en ouder zal de komende jaren flink toenemen, vanwege de vergrijzing. Uit dit onderzoek blijkt dat het naar verwachting gaat om een jaarlijkse groei van ongeveer 5%, wat neerkomt op zo’n 32.600 nieuwe diagnoses per jaar onder 80-plussers.
Deze groeiende groep oudere kankerpatiënten zal, volgens de onderzoeker, meer en meer druk leggen op de zorg, doordat de aantallen toenemen en omdat zij vaak complexere zorg vereisen vanwege veelvoorkomende gezondheidsproblemen.
Nieuw dashboard toont cijfers huisartsenzorg per regio
In het nieuwe dashboard kunnen gebruikers zelf uitsplitsingen maken naar regio, wat het volgens het Nivel waardevol maakt voor beleid en onderzoek. Via informatieve grafieken wordt snel zichtbaar hoe de huisartsenzorg er in verschillende delen in Nederland voorstaat. Een voorbeeld is het aantal regulier gevestigde huisartsen in een regio per tienduizend inwoners.
De gegevens in het dashboard zijn afkomstig uit de Nivel-beroepenregistraties en de jaarlijkse Nivel-praktijkenquête met medewerking van huisartsenpraktijken uit het hele land. In totaal hebben 2383 praktijken een of meerdere jaren deelgenomen. Samen vormen deze bronnen de basis voor het dashboard met kerncijfers over de huisartsenzorg.
Antidepressiva geleidelijk afbouwen bij dementie
Volgens de richtlijn kunnen artsen antidepressiva overwegen bij dementiepatiënten met depressieve symptomen wanneer de klachten ernstig zijn en niet-farmacologische interventies onvoldoende effect hebben. Blijft verbetering van de klachten na zes weken uit of is het effect nog onvoldoende, dan kan de dosering worden verhoogd tot de maximale dosering of kan worden overgestapt op een ander antidepressivum. Bij (ernstige) bijwerkingen is het advies om de dosering eerst te verlagen. Als dit onvoldoende helpt of het effect hierdoor verdwijnt, kan het middel ook worden gestopt.
Verder vermeldt de richtlijn dat er nog onvoldoende onderzoek beschikbaar is naar het afbouwen van antidepressiva bij mensen met dementie om een wetenschappelijk onderbouwd stappenplan te kunnen adviseren. In de praktijk worden antidepressiva in meerdere weken tot een maand stapsgewijs verlaagd en uiteindelijk volledig gestopt.
Antibioticabeleid streptokokken verlaagt risico op verspreiding
Een invasieve groep A-streptokokkeninfectie (iGAS) kan leiden tot levensbedreigende ziektes, zoals bloedvergiftiging, kraamvrouwenkoorts, necrotiserende fasciitis of het toxischeshocksyndroom, dat kan resulteren in uitval van organen.
Vooral jonge kinderen, ouderen en vrouwen rond hun bevalling hebben meer kans ernstig ziek te worden. Het sterftepercentage door iGAS is hoog: ongeveer 10% van de patiënten overlijdt.
Alle gezinsleden van een patiënt met een invasieve groep A-streptokokkeninfectie (iGAS) krijgen sinds januari 2023 antibiotica aangeboden. Door dit nieuwe beleid is het risico vijf keer zo klein geworden dat een gezinslid van een patiënt met iGAS ook ziek wordt.
Toch is het risico voor gezinsleden om een iGAS-infectie te krijgen nog altijd ruim zeventig keer zo groot als voor de algemene bevolking. Dit laat zien hoe belangrijk het is om deze groep te beschermen, concluderen de onderzoekers, die een artikel hebben gepubliceerd in JAMA Network Open.
Antibioticabeleid
Gezinsleden van een patiënt met iGAS hebben ruim tweehonderd keer meer kans om zelf ook ziek te worden dan andere mensen. Eerder kregen alleen gezinsleden van patiënten met de meest ernstige vormen van iGAS antibiotica aangeboden. Het ging dan om de aandoeningen necrotiserende fasciitis en het toxischeshocksyndroom.
Omdat het aantal meldingen van iGAS na het opheffen van de coronamaatregelen flink steeg, is het beleid aangepast. Sindsdien krijgen alle gezinsleden van alle patiënten met iGAS antibiotica aangeboden.
Het nieuwe beleid heeft weinig invloed op het totale aantal infecties met iGAS in Nederland. De meeste infecties ontstaan namelijk niet door direct contact met een andere patiënt. Het voorkómen van dit soort infecties met antibiotica heeft, volgens het RIVM, dus alleen nut in bepaalde situaties, zoals binnen gezinnen waar al een patiënt is.
Noord-Nederland werkt aan verminderen medicijnresten
Medicijnresten in grond- en oppervlaktewater vormen een groeiende bedreiging voor de gezondheid en leefomgeving, vooral in Noord-Nederland, als één van de meest vergrijsde regio’s, aldus Water Alliance, de netwerk- en brancheorganisatie voor de Nederlandse water- en milieutechnologiesector.
Partijen in de watertechnologiesector gaan samen met mkb-bedrijven op zoek naar oplossingen om het probleem van medicijnresten in het water in deze regio aan te pakken, door onder meer nieuwe technologieën te ontwikkelen voor geavanceerde waterzuivering. Ook richten de partners zich op het gebruik van duurzame farmaceutische producten en toedieningsvormen die minder milieubelastend zijn.
Een ander doel van het project is het verbeteren van voorschrijfgedrag en therapietrouw, door meer bewustwording en scholing om onnodig medicijngebruik te voorkomen. Ook gaan de instellingen en bedrijven actief best practises binnen de regio verspreiden.
Water-, farma- en zorgsector
Tijdens de kick-off hebben de deelnemers onder meer de ambitie uitgesproken een structurele verbinding na te streven tussen de water-, farma- en zorgsector. Ook moet duurzaamheid een vanzelfsprekend onderdeel worden van het medicatiegebruik in deze regio.
Voor het project heeft het Europese Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in totaal € 2,34 miljoen beschikbaar gesteld. Enkele deelnemers aan het regionale project zijn: Wilhelmina Ziekenhuis Assen, Martini Ziekenhuis, Isala Ziekenhuis, Rijksuniversiteit Groningen, UMCG en de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân.
Migrainepatiënt moet lang wachten op passende behandeling
Deelnemers aan het onderzoek wachtten lang tot zij professionele zorg zochten voor hun migraineklachten. Ze herkenden hun klachten niet altijd als migraine, vaak door het ontbreken van goede en betrouwbare informatie over migraine en behandelopties, concluderen de onderzoekers.
Ook zorgverleners herkenden de klachten niet altijd volgens patiënten, en soms misten zij gedegen kennis over migraine. Hierdoor duurde het vinden van een passende behandeling soms lang.
Verder blijkt uit het onderzoek dat vrouwelijke deelnemers duidelijke hormonale invloeden ervaarden op hun migraineaanvallen. Ze hadden behoefte aan betere begeleiding, wat bemoeilijkt wordt doordat er nog onvoldoende kennis is van vrouwspecifieke migraine.
Stigma
Vrouwen en mannen ervaarden regelmatig stigma rondom migraine in hun sociale leven, op het werk en in het contact met zorgverleners. Meer kennis in de samenleving en begrip voor migraine en de negatieve invloed ervan op het dagelijks functioneren kan, volgens de onderzoekers, helpen bij het omgaan met migraine.
Voor dit onderzoek zijn in juni 2025 drie focusgroepen gehouden van elk twee uur met patiënten met migraineklachten. In totaal deden negentien patiënten mee, zes tot zeven per focusgroep. De deelnemers waren tussen de 18 en 67 jaar, veelal vrouw en hoger opgeleid. Meer dan de helft was onder behandeling van de tweede lijn.
EMA adviseert positief over nieuw middel voor ernstig astma
Het middel is bedoeld voor patiënten vanaf 12 jaar als adjuvans bij ernstig eosinofiel astma, waarbij behandeling met een hooggedoseerd inhalatiecorticosteroïd (ICS) en een ander astmamiddel onvoldoende effect heeft. Het is ook geïndiceerd als adjuvans bij intranasale corticosteroïden bij volwassenen met ernstig chronische rinosinusitis met neuspoliepen (CRSwNP) waarbij behandeling met systemische corticosteroïden en/of chirurgie onvoldoende effect heeft.
Depemokimab is een monoklonaal antilichaam dat bindt aan interleukine-5 (IL-5), waardoor het binding van IL-5 aan het IL-5 receptorcomplex voorkomt. Hierdoor is IL-5 niet meer in staat de aanmaak en overleving van eosinofielen te stimuleren, hetgeen leidt tot een afname van het aantal eosinofielen in het bloed. Dit zou ontstekingen verminderen bij patiënten met eosinofiel astma en CRSwNP. De meest voorkomende bijwerkingen zijn reacties op de injectieplaats.
Het middel zal beschikbaar komen als 100 mg-oplossing voor injectie in een voorgevulde pen of spuit, voor subcutane toediening.
Risico op verwisseling en fouten tabletten Rybelsus
De fabrikant van Rybelsus vervangt de oorspronkelijke formulering van Rybelsus – tabletten van 3 mg, 7 mg, 14 mg – door de nieuwe formulering: tabletten van 1,5 mg, 4 mg en 9 mg. Ook de verpakking en de vorm van de tabletten zijn anders bij de nieuwe formulering: de tabletten zijn iets kleiner en ronder van vorm.
De kleuren van de verschillende doseringen van het geneesmiddel zijn hetzelfde gebleven, en de productinformatie is bijgewerkt om het verschil tussen de twee soorten uit te leggen en de verschillende doses te herkennen.
Doordat de beide soorten tabletten tegelijkertijd verkrijgbaar zijn, is er een risico op verwisseling en medicatiefouten, zoals overdosering. Het risico op bijwerkingen zoals misselijkheid, overgeven of diarree is dan groter, waarschuwen het CBG en de IGJ, die voorschrijvers en apothekers adviseren de patiënt te informeren over de nieuwe formulering en de verandering in doses.
Patiënten
De zorgverleners krijgen het advies patiënten die Rybelsus al gebruiken te vertellen over de verandering in formulering en dosis bij het voorschrijven of verstrekken van de nieuwe formulering.
Patiënten die nieuw starten met Rybelsus moeten de nieuwe formulering voorgeschreven krijgen, en alle patiënten die Rybelsus gebruiken, moeten de instructies in de bijsluiter goed lezen.
Risico-informatie
De handelsvergunninghouder heeft – in overleg met het CBG en de IGJ – een Direct Healthcare Professional Communication (CHPC) met belangrijke risico-informatie verstuurd naar huisartsen, openbaar apothekers, ziekenhuisapothekers, diabetesverpleegkundigen, internisten en praktijkondersteuners huisarts.
Apotheek Tree of Life mag weer medicijnen leveren
Tree of Life Pharmacy is, volgens IGJ, een apotheek die samenwerkt met platforms waar patiënten via internet geneesmiddelen kunnen aanvragen die worden voorgeschreven door een arts. Vervolgens levert de apotheek de medicijnen via een bezorgdienst bij de patiënt.
Uit het inspectie-onderzoek van eind 2025 bleek dat de online apotheek tekortschoot bij het opvragen en bijhouden van patiëntendossiers, de medicatiebewaking en de begeleiding van de patiënt. Zo ging de apotheker bij een individuele patiënt niet altijd na van welke apotheek de patiënt doorgaans de farmaceutische zorg ontving, en probeerde de apotheker niet altijd om het dossier op te vragen via het Landelijk Schakelpunt (LSP).
Verder concludeerde IGJ dat de gegevens uit de basisset medicatiegegevens niet aantoonbaar aanwezig waren bij de apotheker op het moment van het verlenen van de zorg. Ook ontwikkelde de apotheker geen beleid om vast te stellen wanneer een veilige terhandstelling wel mogelijk was.
Waarborg
Volgens de toezichthouder heeft de apotheker inmiddels voldoende gewaarborgd dat online apotheek Tree of Life Pharmacy goede en veilige zorg kan verlenen die voldoet aan richtlijnen en professionele standaarden.
Uit een nieuwe inspectie blijkt dat de apotheek het dossier van de patiënt opvraagt via het LSP, en op basis van informatie van andere zorgverleners een dossier aanmaakt van de patiënt zelf. Hebben patiënten toestemming gegeven voor het beschikbaar stellen van gegevens via het LSP, dan kunnen die ook worden opgevraagd door andere zorgverleners, inclusief de vaste apotheek van de patiënt.
Persoonlijk consult
Volgens het inspectierapport zijn ook de gegevens uit de basisset medicatiegegevens aanwezig bij de apotheker op het moment van het verlenen van zorg, en biedt de apotheker de patiënt voldoende mogelijkheid voor een persoonlijk consult bij de eerste uitgiftes.
Verder concludeert de toezichthouder dat de apotheek de eindcontrole uitvoert op de dag van uitgifte, waarbij wordt beoordeeld of de medicijnen met de juiste aanwijzingen of waarschuwingen ter hand zijn gesteld. Ook is de medicatiebewaking op orde en controleert de apotheker op farmacotherapiegerelateerde problemen, aldus IGJ.
‘Verbetering mogelijk in voorschrijven anticonceptie en opioïden bij migraine’
Acht op de tien patiënten met spanningshoofdpijn en de helft van de migrainepatiënten had in het eerste half jaar na de diagnose contact met de huisarts zonder dat zij medicatie kregen voorgeschreven. Kanttekening hierbij is, volgens Nivel, dat paracetamol of ontstekingsremmende pijnstillers, zoals ibuprofen, naproxen en diclofenac, niet volledig in de gegevens zijn terug te zien.
De helft van de patiënten die de huisarts bezochten voor hoofdpijn consulteerde na het eerste half jaar de huisarts hier niet voor. Als deze patiënten zelfzorgmiddelen gebruiken, lijkt het niet wenselijk dat deze groep helemaal buiten beeld raakt. De huisarts zou dan namelijk geen zicht hebben op mogelijk overgebruik, concludeert het Nivel.
Opioïden
Uit het onderzoek blijkt verder dat bij spanningshoofdpijn, migraine en clusterhoofdpijn de vaakst voorgeschreven medicijnen voor hoofdpijn ook de medicatie is die de NHG-Standaard Hoofdpijn aanraadt. Wel schrijven huisartsen regelmatig opioïden bij spanningshoofdpijn en migraine voor, terwijl de NHG-Standaard Hoofdpijn dit afraadt.
Een groot deel van deze opioïden lijkt echter al vóór de eerste registratie van de hoofdpijn voorgeschreven te zijn, mogelijk vanwege andere pijnklachten.
Hormonen
Ook krijgen vrouwen met migraine regelmatig hormonen voorgeschreven. Hoewel migraine geen contra-indicatie is voor de combinatiepil, raadt de NHG-Standaard Hoofdpijn aan om voor vrouwen met migraine een andere anticonceptiemethode te overwegen. Hierin is wellicht nog verbetering mogelijk, stellen de onderzoekers.
Voor het onderzoek is gebruikgemaakt van gegevens over de jaren 2016 tot en met 2023 van 300 huisartsenpraktijken die deelnemen aan Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn.
Het onderzoek is opgezet met subsidie van Pfizer, maar onafhankelijk uitgevoerd, benadrukt Nivel. Het bedrijf had geen toegang tot de data en is niet betrokken geweest bij het schrijven van de rapportage.
'Wees terughoudend met ACE-remmers bij Raynaud'
ACE-remmers als captopril en enalapril hebben een vaatverwijdende werking. Maar deze middelen lijken geen gewenste effecten te hebben op het verminderen van de frequentie van aanvallen bij het secundair fenomeen van Raynaud, blijkt uit onderzoek. Ook lijken ze niet de duur en ernst van de aanvallen te verminderen. Tevens lijkt er geen subjectieve verbetering te zijn van de klachten in vergelijking met placebo na vier tot zes weken follow-up. Daarnaast kunnen er mogelijk ongewenste effecten optreden.
Ook wordt aangeraden terughoudend te zijn met het voorschrijven van een angiotensine-II-antagonist, zoals losartan, bij patiënten die onder behandeling zijn in de tweede lijn. Losartan lijkt volgens de richtlijn geen gewenste effect te hebben, maar lijkt ook relatief weinig bijwerkingen te hebben.
Calciumantagonisten
Calciumantagonisten (met vertraagde afgifte) en fosfodiësteraseremmers zijn wel te overwegen bij patiënten die onder behandeling zijn in de tweede of derde lijn. Het gebruik van calciumantagonisten lijkt de frequentie, duur en ernst van de aanvallen te verminderen, echter is de kwaliteit van het bewijs zeer laag. Fosfodiësteraseremmers in een vaste dosering verminderen de frequentie en duur van de aanvallen mogelijk enigszins.
Het fenomeen van Raynaud is een aanvalsgewijze pijnlijke verkleuring van de vingers en soms ook andere extremiteiten. Bij een minderheid van de patiënten treden ernstigere symptomen op, zoals digitale ulcera of kritieke ischemie. De oorzaak is vaak een onderliggende systemische auto-immuunziekte. Dit wordt het secundaire fenomeen van Raynaud genoemd.
Vroeg starten met biological verbetert uitkomst bij jeugdreuma
Artsen volgen tot nu toe een zogenoemde stap-voor-stapbehandeling bij juveniele idiopathische artritis (jeugdreuma): eerst worden de goedkope maar minder effectieve standaardgeneesmiddelen geprobeerd, zoals methotrexaat. Pas als die onvoldoende werken, komen biologicals in beeld, schrijven de onderzoekers van de afdeling Kinderreumatologie van het Wilhelmina Kinderziekenhuis, die hun resultaten hebben gepubliceerd in Arthitis & Rheumatology. De internationale studie werd geanalyseerd in het Wilhelmina Kinderziekenhuis, en uitgevoerd in Nederland en Canada
Invloed op herstel
In de studie werd onderzocht of het moment waarop de behandeling met een biological start, invloed heeft op herstel. De onderzoekers volgden 130 kinderen met een niet-systemische jeugdreuma, die voor het eerst een biological kregen. Zij werden in drie groepen ingedeeld: een vroege groep (start biological binnen zes maanden na de eerste klachten), een middelgroep (start na zeven tot twaalf maanden) en een late groep (start na 13 tot 24 maanden).
Hoewel er verschil was in hoelang het duurde voordat deze patiënten begonnen met biologicals, verschilden de groepen niet op het moment dat de diagnose jeugdreuma werd vastgesteld.
Meer toekomst
In de vroege groep bereikte 83% van de kinderen binnen zes maanden na start van een biological een ziektevrije fase, terwijl dat in de late groep slechts 57% was. De kans dat de ontsteking actief bleef nam met 9% toe voor elke maand vertraging bij het starten van de behandeling met een biological.
Volgens de onderzoekers wijst dit op een ‘therapeutisch venster’: een periode kort na het begin van de ziekte waarin behandeling het meest effectief is. Door vroeg in te grijpen, kan uitbreiding naar andere gewrichten en schade daaraan mogelijk worden voorkomen.
De studie benadrukt dat het loont sneller over te stappen op biologicals bij kinderen die dat nodig hebben. Zo kunnen onnodig lange behandeltrajecten worden voorkomen en krijgen jonge patiënten meer kans op een toekomst met minder pijn en beperkingen, aldus de onderzoekers.